Woensdag, 17 juni 2009Het Plakkaat van Verlatinghe als stapsteen naar de Nederlandse onafhankelijkheid![]() Inleiding Een prinse van Oranje ben ik, vrij onverveerd, den Koning van Hispanje heb ik altijd geëerd. Zo luidt de tekst van de tweede helft van het eerste couplet van het Wilhelmus, thans het nationale volkslied van Nederland. Het beschrijft hoe de Nederlanden de Spaanse koning hebben geëerd, inderdaad, hébben geëerd. Vanaf de jaren ’60 van de 16de eeuw kwamen de Nederlanden in opstand tegen de Spaanse heersers wat leidde tot een reeks van gevechten en conflicten die pas volledig eindigde in 1648 met de Vrede van Münster waarbij Spanje (Noord-) Nederland erkende als onafhankelijke staat. Deze periode is men in de 19de eeuw, tijdens de opkomst van de romantiek en het nationalisme, gaan bestempelen onder de term “Tachtigjarige Oorlog” waarbij men dus deze doet starten in het jaar 1568 met de inval van Willem van Oranje. Deze benaming is echter niet zo historisch correct aangezien de opstand vroeger begonnen waren. En wat dan aan te vangen met de twaalf jaren van vrede tussen 1609 en 1621 tijdens het Twaalfjarig Bestand, horen deze ook bij de oorlog? Daarom lijkt het me beter van te spreken over de Nederlandse Opstand dewelke uiteindelijk zou uitmonden in de Nederlandse onafhankelijkheid. Met dit werk zal ik dan ook de (moeizame) weg richting de Nederlandse onafhankelijkheid beschrijven en zal ik hierbij speciale aandacht verlenen aan het Plakkaat van Verlatinghe, de officiële afzwering van koning Filips II van Spanje. Bij deze studie zal ik me dan ook beperken tot het eerste deel van deze zogenaamde “Tachtigjarige Oorlog” aangezien (Noord-)Nederland omstreeks het eerste decennium van de 17de eeuw reeds de facto onafhankelijk is. Wat erna volgde was het al eerdergenoemde Twaalfjarig Bestand en erna nog een twintigtal jaren van conflicten en gevecht op instigatie van de Spaanse kroon die evenwel niet veel aan de situatie van zelfstandigheid voor de Noordelijke Nederlanden zouden veranderen. Voorgeschiedenis
Als vertrekpunt neem ik het jaar 1555, het jaar van de troonsafstand van keizer Karel V. Deze trok zich moe en ziek uit het regeringswerk terug. Vooral de godsdienstvrede van Augsburg in datzelfde jaar was hem als rechtgeaard katholiek slecht bekomen en vatte hij op als een persoonlijke nederlaag. Deze vrede bepaalde echter dat de rijksvorsten en vrije rijkssteden van het Heilig Roomse Rijk in hun gebied de religie (katholiek of luthers) mochten opleggen volgens het beginsel cuius regio, illius et religio. Zodoende kon de keizer in het hele Rijk zijn religie niet meer opleggen, maar moest hij dit overlaten aan vorsten die onder hem in de rangorde zaten. Dit was één van de vele feiten die een duidelijke illustratie was van de uitholling van het keizerlijke gezag en van de versnippering van Duitsland. Zo stond Karel op 25 oktober 1555 te Brussel de Nederlanden en Franche-Comté af aan zijn zoon Filips II en op 16 januari 1556 liet hij de Spaanse kroon en diens bijbehorende landen (Castilië, Aragon en Zuid-Italië) en kolonies over aan zijn zoon. De keizerskroon en de rechten op de Oostenrijkse erflanden legde Karel daarentegen neer ten voordele van zijn broer Ferdinand I. Zo werd het huis Habsburg gesplitst in een Spaanse en een Oostenrijkse tak. Zo dus stonden de Nederlanden vanaf 1555 onder het gezag van Filips II (zie afbeelding links) die heerste vanuit Madrid en de absolute soeverein was over de Nederlanden wat betekende dat hij de bron van alle macht was. In Spanje werd de koning bijgestaan door de Koninklijke Raden, de Junta’s. Ter plaatse werd de koning vertegenwoordigd door een langvoogd(es) of gouverneur-generaal. Deze werd bijgestaan door de in Brussel gevestigde 3 collaterale raden: de Geheime Raad (Conseil privé), de Raad van Financiën (Conseil des finances) en vooral de Raad van State (Conseil d’Etat). In belangrijke gevallen kon de landvoogd de Staten-Generaal samenroepen en overleg met hen plegen. De Staten-Generaal was als het ware de nationale standenvertegenwoordiging van de Nederlanden en bestond reeds sinds de Bourgondische hertog Filips de Goede (hertog van 1419 tot 1467) als geprivilegieerd machtsorgaan van de standen. De Staten-Generaal was ook afhankelijk van de verschillende Provinciale Staten van waaruit de vertegenwoordigers kwamen. Daarnaast was in de Nederlanden de Grote Raad van Mechelen het hoogste rechtscollege. Op provinciaal vlak werden de gebieden geleid door een gouverneur of een stadhouder, bijgestaan door de provinciale staten ofwel de Staten-Provinciaal dewelke de standen in de provincies vertegenwoordigde en mocht stemmen over de beden en herstel van grieven. Als rechtbank was er de provinciale justitieraad. Onderaan de politieke hiërarchie stonden dan de lokale besturen bijvoorbeeld in de steden de schepenenbank. Maar langzamerhand ontstond er wrevel in de Nederlanden over het beleid van Filips II. Aan de basis hiervan liggen meerdere oorzaken; • Ten eerste was het rijk van Filips II zeer gecentraliseerd vanuit Madrid, iets wat in schril contrast stond met zijn vaders beleid die nog rondtrok over geheel zijn rijk en geen vaste hoofdstad had. Het ongenoegen bij de adel in de Nederlanden groeide want onder Karel hadden ze nog veel invloed, iets wat Filips II niet zo zag zitten. Hij deed minder beroep op de Raad van State (die gevuld was met edelen) en meer op zijn persoonlijke achterban want deze waren loyaler. • Ten tweede waren er godsdienstproblemen vooral onder de gewone bevolking en de lage adel (de hoge adel was meestal katholiek). Het protestantisme groeide snel vanaf de jaren ’40 van de 16de eeuw, vooral het calvinisme. Over dit feit groeide een dubbel perspectief. Enerzijds vroeg de Nederlandse hoge adel geen godsdiensttolerantie maar had ze wel de visie dat men uit vrije wil en uit overtuiging katholiek moest zijn. Anderzijds vonden de Spanjaarden dat de koning de plaatsvervanger was van God op aarde en dat het (katholieke) christendom het enige juiste geloof was. Ook meenden ze dat de koning verantwoordelijk was voor het lot en het geloof van zijn onderdanen (confer de Vrede van Augsburg). Tevens had de Spaanse kroon de visie dat politieke eenheid bewerkstelligd moet worden door religieuze eenheid. Niet-katholieken onttrokken zich in regel dus van de macht van de koning, maar de vorst is almachtig over het volk dus heeft het volk niet te kiezen. • Ten derde was er ook een conflict aan de gang tussen Denemarken en Zweden wat zorgde voor een gevaar op de handel in de Oostzee en op de invoer van graan vanuit de Baltische staten. Deze laatste waren verantwoordelijk voor een groot deel van de graanbevoorrading van de (voor die tijd) dichtbevolkte Nederlanden. Hierdoor kwam er hongersnood onder de gewone bevolking wat het risico op een revolutionair klimaat verstrekte. Maar het toppunt van oorzaken die tot verzet leidden bij de adel was de hervorming van de Nederlandse bisdommen in 1559. Filips II wou deze hervorming omdat vele bisdomhoofdplaatsen in de periferie van de Nederlanden of in het buitenland lagen (bijvoorbeeld Kamerrijk en Keulen) en omdat het Concilie van Trente (1545-1563) had beslist dat de opvoeding van de bevolking tot goede (lees: katholieke) christen moest verbeteren. De hervorming hield dus in dat er kleinere bisdommen ingesteld moesten worden wat betekende dat er ook nieuwe bisdommen ontstonden (zoals Ieper). Natuurlijk moesten deze bisdommen ook gefinancierd worden. Filips II zorgde hiervoor door het plan om abdijen aan het bisdom te verbinden zodat de desbetreffende bisschop ook abt zou worden van deze abdijen. Maar abten van grote abdijen zetelden ook in de standenvertegenwoordiging. De oorspronkelijke abten waren vaak familie van lokale edelen of zelfs bastaardkinderen, maar deze mochten vanaf dan geen abt meer worden volgens het Concilie van Trente. Zo zouden nu dus de nieuwe bisschoppen, benoemd door de koning ook in de standenvertegenwoordiging zetelen. Wegens hun loyauteit voor hun positie zouden deze dus pleiten in het voordeel van de koning en dus als het ware marionetten worden van de koning om de standenvertegenwoordiging te manipuleren. De adel wou dit koste wat het kost verhinderen aangezien de standenvertegenwoordiging van oudsher een tegengewicht vormde voor de koning. De adel reageerde hierop door kardinaal Granvelle, eerste aartsbisschop van Mechelen en een helper van de koning en van landvoogdes Margaretha van Parma, te verdrijven. Tevens stuurden ze graaf van Egmond naar Spanje om hun eisen te bepleiten (privileges voor de adel, godsdiensttolerantie, …). Ondertussen hadden de calvinisten in 1556 al een eedverbond der edelen gevormd die zich bezig hield met de religieuze problemen. Deze calvinisten waren vooral lage adel die dichter bij het volk stonden. Ze vroegen tolerantie en een opheffing van de plakkaten uitgevaardigd tegen de protestanten en stuurden ook gezanten naar Spanje. Landvoogdes Margaretha van Parma reageerde hierop en matigde de plakkaten maar Filips II ging hiermee niet akkoord. Op deze achtergrond ontstond in 1566 uiteindelijk de Beeldenstorm in Frans-Vlaanderen en deze werd snel verspreid over de hele Nederlanden. Frans-Vlaanderen kende in die tijd grote sociale problemen doordat de textielnijverheid er niet meer in ambachten gebeurde en zo een soort sociale zekerheid weg viel. Bij hongersnood was er dus geen sociaal vangnet. Dit vergrootte het potentieel voor bekeringen tot het calvinisme, radicalisering en bereidheid om tot actie over te gaan. De Spanjaarden sloegen ook terug met geweld en de hoge adel was ook tegen de Beeldenstorm want ze vreesden voor hun eigen positie. De Beeldenstorm werd uiteindelijk onderdrukt in 1567 toen een protestants leger bij Oosterweel werd verslagen door het leger van de landvoogdes. Toch werd in Spanje razend gereageerd door de koning en werd de hertog van Alva afgevaardigd om een strafexpeditie te houden en Margaretha van Parma op te volgen als landvoogd. In 1568 kwam zijn leger aan wat voor wrevel zorgde bij de steden aangezien zij het leger moesten onderhouden en voorzien van voedsel en diensten. Ondertussen berechtte Alva de edelen omdat ze te weinig gedaan zouden hebben om de opstand te onderdrukken, ze werden dus beschuldigd van hoogverraad en niet omwille van hun protestantisme. De belangrijkste drie edelen die werden berecht zijn graaf van Hoorne, graaf van Egmond en Willem van Oranje (zie afbeelding links). De eersten werden te Brussel onthoofd, de laatste vluchtte. Ondertussen bracht Willem een leger bijeen (iets wat gerechtvaardigd was omdat hij soeverein prins was van Orange) en deed een inval in de Nederlanden, wat mislukte omdat zijn leger niet krachtig genoeg was. Ondertussen ging de Bloedraad verder met het berechten van opstandelingen op grond van hoogverraad. Alva werd ook bij niet-protestanten zeer onpopulair mede door zijn harde optreden, maar ook door het instellen van verschillende penningen die voor inkomsten moesten zorgen voor het leger zonder toestemming te vragen aan de adel (voor deze belasting gold: 1/10 op het bezit en 1/100 op de grond). Uiteindelijk wou Alva zijn imago wat verbeteren door, na de toestand onder controle te hebben, een generaal pardon af te kondigen om zo zijn clementie te tonen, hoewel er op dat generaal pardon nog vele uitzonderingen bleven en nog vele mensen werden terechtgesteld. In 1572 keerde het tij voor de opstandelingen dan weer wanneer op 1 april het stadje Den Briel werd ingenomen door de watergeuzen. Hierna haalden de geuzen nog meer successen en op 19 juli 1572 kwam te Dordrecht de ‘eerste vrije statenvergadering’ samen waar Willem van Oranje door de provinciale staten als stadhouder van Holland en Zeeland werd erkend. De hertog van Alva had het verkorven bij de koning en werd teruggeroepen. In zijn plaats werd in 1573 Luis de Zúñiga y Requesens als landvoogd aangeduid maar deze stierf onverwacht op 1 maart 1576 waardoor een tijdje een machtsvacuüm ontstond in de Nederlanden en Spaanse soldaten aan het muiten sloegen en vele steden aanvielen, op 4 november werd Antwerpen geplunderd, een gebeurtenis die beter bekend is als de Spaanse furie. De Nederlandse adel maakte hier ook van gebruik en de Staten-Generaal kwam op eigen initiatief samen en op 8 november 1576 werd de Pacificatie van Gent ondertekend. De belangrijkste eisen in deze overeenkomst tussen Holland & Zeeland (met Willem van Oranje als leider) en de rest van de Nederlandse bondgenoten waren enerzijds de terugtrekking van de vreemde Spaanse troepen en anderzijds de opschorting van de plakkaten tegen de protestanten. Dit verdrag was officieel niet legaal en moest bevestigd worden door de koning, maar de nieuwe landvoogd Don Juan I van Oostenrijk erkende het in de Unie van Brussel van 9 januari 1577 en begon met de terugtrekking. Maar tijdens de terugtrekking kreeg hij orders van de koning om de troepen te laten terugkeren naar de Nederlanden en Don Juan liet ze Namen aanvallen op 24 juli en later ook Antwerpen. De koning was natuurlijk niet akkoord gegaan met de eisen van de Pacificatie van Gent omdat hij vreesde voor zijn machtspositie tegenover de adel. Ondertussen begon de Spaanse kroon meer en meer in financiële problemen te komen. Landvoogd Don Juan had naderhand verkorven bij de Nederlandse adel en deze kwamen opnieuw zelfstandig samen in de Staten-Generaal en wezen hem af en kozen als nieuwe landvoogd Matthias van Oorstenrijk, de broer van keizer Rudolf II van het Heilig Roomse Rijk, uit de Oostenrijkse tak van de Habsburgers. Filips II ging hiermee natuurlijk niet akkoord en Don Juan bleef aan. Uit protest gingen de protestanten nog meer radicaliseren en ontstonden overal in Noord-Nederland meer en meer protestantse besturen. Don Juan stierf uiteindelijk op 1 oktober 1578 en als opvolger koos de koning Alexander Farnese. Onder zijn bewind werden de religieuze tegenstellingen in de Nederlanden alsmaar groter. Vooral de Waalse katholieken in het zuiden van de Nederlanden waren niet zo opgezet met de toenemende invloed van de radicale protestanten in Vlaanderen en Brabant. Zo begonnen de Waalse edelen een tegengewicht te vormen de calvinistische invloed. Alexander Farnese speelde deze innerlijke verdeeldheid handig uit en speelde zo ook de Nederlandse provincies uit elkaar. Uiteindelijk verenigden Atrecht, Kamerrijk, Artesië, het Rijselse en Henegouwen (met uitzondering van Doornik) zich op 6 januari 1579 in de Unie van Atrecht en zwoeren trouw aan de vorst en aan de katholieke kerk. Als reactie hierop gingen de Noordelijke provincies en steden zich verenigen in de Unie van Utrecht op 23 januari 1579 waar een antikatholieke sfeer heerste en deze kreeg uiteindelijk ook de steun van Willem van Oranje. Op 17 mei 1579 verzoenden de Waalse gewesten zich officieel met Flips II met het Traktaat van Atrecht. De Unie van Utrecht zou in 1581 reageren met het Plakkaat van Verlatinghe. Het Plakkaat van Verlatinghe Het Plakkaat van Verlatinghe was de officiële verklaring van de Unie van Utrecht, waarin Filips II werd afgezet als hun soeverein heerser. Deze akte werd ondertekend bij de bijeenkomst van de Staten-Generaal van 26 juli 1581 in Den Haag. De Staten-Generaal verklaarde hierbij dus dat hun vorst, Filips II hun vrijheden en rechten had geschonden en verklaarden hem vervallen van de troon en zijn troon werd dus als verlaten beschouwd. Het plakkaat werd ondertekend door de gebieden Brabant, Gelre, Vlaanderen, Holland, Zeeland, Friesland, Mechelen en Utrecht. De gebieden Groningen en Overijssel gingen ook akkoord maar werden niet apart vermeld omdat deze toen nog strikt genomen deel uitmaakten van Gelre en Utrecht. Wat betreft de tekst zelf, vertelt de eerste pagina reeds genoeg over zijn toedracht; “De Staten Generael van de geunieerde Nederlanden. Allen dengenen die dese tegenwoordighe sullen sien ofte hooren lesen, saluyt. Alsoo een yegelick kennelick is, dat een Prince van den lande van Godt gestelt is hooft over zijne ondersaten, om deselve te bewaren ende beschermen van alle ongelijk, overlast ende ghewelt gelijck een herder tot bewaernisse van zijne schapen: En dat d'ondersaten niet en sijn van Godt geschapen tot behoef van den Prince om hem in alles wat hy beveelt, weder het goddelick of ongoddelick, recht of onrecht is, onderdanig te wesen en als slaven te dienen: maer den Prince om d'ondersaten wille, sonder dewelcke hy egeen Prince en is, om deselve met recht ende redene te regeeren ende voor te staen ende lief te hebben als een vader zijne kinderen ende een herder zijne schapen, die zijn lijf ende leven set om deslve te bewaren. En so wanneer hy sulx niet en doet, maer in stede van zijne ondersaten te beschermen, deselve soeckt te verdrucken, t'overlasten, heure oude vryheyt, privilegien ende oude herkomen te benemen, ende heur te gebieden ende gebruycken als slaven, moet ghehouden worden niet als Prince, maer als een tyran ende voor sulx nae recht ende redene magh ten minsten van zijne ondersaten, besondere by deliberatie van de Staten van den lande, voor egheen Prince meer bekent, maer verlaeten ende een ander in zijn stede tot beschermenisse van henlieden voor overhooft sonder misbruycken ghecosen werden;” In het hedendaags Nederlands staat er als volgt (in eigen hertaling): “De Staten-Generaal van de verenigde Nederlanden. Groet aan allen die deze aankondiging zullen zien of horen lezen. Zoals éénieder bekend is dat een Prins van het land door God als hoofd over zijn onderdanen is aangesteld om hen te vrijwaren en beschermen van alle onrecht, verdrukking en geweld zoals een herder ter bescherming van zijn schapen: En dat de onderdanen niet door God geschapen zijn tot nut van de Prins om hem in alles wat hij beveelt, of het nu goddelijk of goddeloos, rechtvaardig of onrechtvaardig is, onderdanig te zijn en als slaven te dienen: Maar de Prins (is geschapen) ter wille van de onderdanen zonder wie hij geen Prins is, om hen met recht en rede te regeren en voor te staan en lief te hebben zoals een vader zijn kinderen en een herder zijn schapen, die zijn lijf en leden inzet om hen te bewaren. En wanneer hij dat niet doet, maar in plaats van zijn onderdanen te beschermen, hen probeert te onderdrukken, te overlasten, hun oude vrijheid, voorrechten en oude gewoonterecht af te nemen, en hen te bevelen en gebruiken als slaven, moet (hij) niet meer als Prins beschouwd worden, maar als een tiran en voor dit mag (hij) naar recht en rede tenminste door zijn onderdanen en in het bijzonder na overleg van de Staten(-Generaal) van het land, niet meer als Prins beschouw worden, maar verlaten (worden) en een ander (mag) in zijn plaats ter bescherming van hen als hoofd zonder misbruik gekozen worden.” Deze tekst was revolutionair en zeer progressief voor zijn tijd. Enkele ideeën die erin staan vermeld zouden later nog terugkeren zoals de staat als een soort contract tussen heerser en het volk en ook de uiting van het ius resistendi, het recht om in opstand te komen indien de vorst de rechten en vrijheden van het volk niet meer respecteert. Verdere Ontwikkeling Na deze afzwering en zoveelste uiting van ongehoorzaamheid jegens de koning was de maat vol voor de Spanjaarden. Farnese begon met een grootscheepse militaire actie in Vlaanderen. Kortrijk was reeds gevallen in 1580 en daarna volgden Doornik (1581), Oudenaarde (1582), Ieper, Brugge en Gent (1584), Brussel, Mechelen en uiteindelijk als laatste ook Antwerpen (1585). Alleen Oostende en delen van de Vlaamse kust bleven in Zuid-Nederland nog in protestantse handen. Na de verovering van een stad gaf Farnese de protestanten de kans om ofwel zich te bekeren ofwel te vluchten naar het noorden. Zo wou hij de Zuidelijke Nederlanden uitzuivering. Deze actie zorgde ervoor dat de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden van elkaar afgescheiden werden en dat het Zuiden zeer slechte tijden tegemoet zou gaan aangezien de meeste handelaars (alsook de diamant- en textielindustrie en de beurs) naar Amsterdam trokken en met hen ook de intelligentsia en de kunstenaars. In 1588 trok Farnese door naar het Noorden en kwam tot aan de grote rivieren (de Maas, Rijn, Waal en Lek) maar hij werd teruggeroepen door Filips II om te gaan vechten tegen de Engelsen (wat ook wel een goede zet was want de Anglicaanse Engelse kroon steunde de protestantse Nederlanders). De ‘onoverwinnelijke’ Spaanse Armada zou uiteindelijk de oorlog verliezen na 3 confrontaties, de laatste in de slag bij Grevelingen (7 augustus 1588). Zo viel de herovering van de Nederlanden stil en kon het Noorden zich militair en diplomatiek handhaven en hun positie versterken. Zij werden dan ook versterkt door de tienduizenden protestantse immigranten van uit het Zuiden. Tijdens de periode van relatieve rust ging de opstandige gewesten zich politiek organiseren. Zo zocht men naar een koning voor de onafhankelijke Nederlanden om de vacante troon van Filips II over ter nemen. Op voorstel van Willem van Oranje werd eerst Frans van Anjou, de broer van de Franse koning Hendrik III, als ‘landsheer’ gehuldigd (1581-1584), maar deze wekte verzet op omdat hij te weinig militaire hulp bood en de vrees bestond dat Frankrijk de Nederlanden zou willen inlijven. Vervolgens werd gedacht aan Willem van Oranje zelf, maar deze werd op 10 juli 1584 te Delft vermoord. In 1586 werd ten slotte nog Robert Dudley, de graaf van Leicester en gunsteling van de Engelse koningin, naar voor geschoven. Hij werd gekozen tot “gouverneur-generaal der Noordelijke provinciën” maar Dudley was zeer heerszuchtig en eigenzinnig en hij volgde te veel de Engelse koningin waardoor er ontevredenheid rees bij adel en bevolking en hij eind 1587 het land verliet. In 1588 wist Johan van Oldenbarneveldt, de landsadvocaat van Holland, de afgescheurde gewesten te overtuigen om nog te zoeken naar een koning. Zo werd de Republiek der Verenigde Provinciën gevormd, een statenbond onder een republikeinse regering die 7 provinciën omvatte, namelijk Gelre, Friesland, Stad en Lande (Groningen), Zeeland, Holland, Utrecht en Overijssel, en later ook de Generaliteitslanden. Deze waren gebieden ten zuiden van de Rijn die zouden worden terugveroverd op Spanjaarden zoals Zeeuws-Vlaanderen, Noord-Brabant en de enclave Maastricht. De staatsinstellingen van de Republiek zagen er als volgt uit: Vanuit Spanje kwam geen enkele macht meer uit. Op nationaal vlak was er de standenvertegenwoordiging, de Staten-Generaal. Deze was bevoegd voor buitenlandse zaken, later ook de kolonies, het leger en de vloot, de financiën, de Generaliteitslanden, de federale wetgeving en de religie. De beslissingen van de Staten-Generaal werden uitgevoerd door een uitvoerend college: de Raad van State. Op provinciaal vlak was de leider van een provincie de stadhouder. Hij had het recht van genade, voerde het militair bevel en benoemde verschillende magistraten. De machtigste stadhouder, namelijk deze van de rijke provincie Holland was de facto de militaire leider van geheel de republiek. De stadhouder werd bijgestaan door de Staten-Provinciaal die overige bevoegdheden binnen de provincie bestuurde. De soevereiniteit lag dus bij de 7 verschillende Provinciale Staten. De beslissingen van de Staten-Provinciaal werden ook uitgevoerd door een uitvoerend college: de Gecommitteerde Raden. Per provincie had men ook de raadspensionarissen die juridisch advies gaven. Deze van de provincie Holland werd naarmate de geschiedenis steeds machtiger en ging zich ook als een soort president gedragen. Ten slotte stonden onderaan de politieke hiërarchie de lokale besturen. Verdere receptie van Het Plakkaat Het Plakkaat van Verlatinghe was dus geen dode letter in de Nederlandse geschiedenis, maar ook daarbuiten werd het Plakkaat later nog gebruikt als bron van inspiratie. Dit zal ik aantonen aan de hand van drie voorbeelden. Ten eerste heeft de revolutionaire en progressieve inhoud later andere vrijheidsstrijders geïnspireerd. Vooral tijdens de Verlichting werd het thema weer populair, toen er overal kritiek begon te rijzen over de absolutistische heerschappij van de vorsten. Zo zouden vele onafhankelijkheidsverklaringen van verschillende Zuidelijke Nederlanden tijdens de Brabantse Omwenteling (1789-1790) tegen het gezag van de Oostenrijkse keizer Jozef II, gebaseerd zijn op het Plakkaat. En volgens sommigen zou ook de Amerikaanse onafhankelijkheidsverklaring van 4 juli 1776 tegen de Britse overheersing, gebaseerd zijn op het Plakkaat; Gemeenschappelijk kenmerk hierbij is zeker het ius resistendi, het principe dat de burgers het recht hebben om hun vorst te verlaten als die de wetten en traditionele vrijheden van de burgers niet respecteert. Ter illustratie: The Unanimous Declaration of the Thirteen United States of America July 4, 1776 When, in the course of human events, it becomes necessary for one people to dissolve the political bonds which have connected them with another, and to assume among the powers of the earth, the separate and equal station to which the laws of nature and of nature's God entitle them, a decent respect to the opinions of mankind requires that they should declare the causes which impel them to the separation. We hold these truths to be self-evident, that all men are created equal, that they are endowed by their Creator with certain unalienable rights, that among these are life, liberty and the pursuit of happiness. That to secure these rights, governments are instituted among men, deriving their just powers from the consent of the governed. That whenever any form of government becomes destructive to these ends, it is the right of the people to alter or to abolish it, and to institute new government, laying its foundation on such principles and organizing its powers in such form, as to them shall seem most likely to effect their safety and happiness. Prudence, indeed, will dictate that governments long established should not be changed for light and transient causes; and accordingly all experience hath shown that mankind are more disposed to suffer, while evils are sufferable, than to right themselves by abolishing the forms to which they are accustomed. But when a long train of abuses and usurpations, pursuing invariably the same object evinces a design to reduce them under absolute despotism, it is their right, it is their duty, to throw off such government, and to provide new guards for their future security. -- (…) Ten tweede heeft het Plakkaat ook mensen met een meer lyrische inslag beïnvloed. Een mooi voorbeeld hiervan is het gedicht “Die Lösung” van Bertold Brecht, dat hij geschreven heeft naar aanleiding van de volksopstand in de DDR op 17 juni 1953; Nach dem Aufstand des 17. Juni Ließ der Sekretär des Schriftstellerverbands In der Stalinallee Flugblätter verteilen Auf denen zu lesen war, daß das Volk Das Vertrauen der Regierung verscherzt habe Und es nur durch verdoppelte Arbeit Zurückerobern könne. Wäre es da Nicht doch einfacher, die Regierung Löste das Volk auf und Wählte ein anderes? Na de opstand van 17 juni Liet de secretaris van de schrijversbond In de Stalinallee vlugschriften uitdelen Waarop te lezen stond dat het volk Het vertrouwen van de regering beschaamd had En het alleen maar door verdubbelde arbeid Terug zou kunnen winnen. Zou het dan Niet eenvoudiger zijn dat de regering Het volk ontbond en Zich een ander koos? En ten slotte heeft het Plakkaat ook nog sporen nagelaten in de Vlaamse beweging. Een voorbeeld hiervan is de herschrijving ervan door Jan Van Malderen (leider van Pro Flandria en stichter NSV!-Gent) waarin hij de situatie in 1581 en in 1789-1790 (de Brabantse Omwenteling) vergelijkt met de strijd die de Vlaamse beweging nu voert tegen de Belgische staat en zijn vorstenhuis. Op 26 juli 1581 zwoeren onze moegetergde voorouders in de Staten-Generaal van de Verenigde Nederlanden in Den Haag Koning Philips II af. Zij riepen meteen hun onafhankelijkheid uit. Ze waren ten einde raad door de politiek van uitbuiting en vervolging, bedreven in naam van de Koning van Spanje. Ze wilden het de zoon van de in Gent geboren Keizer Karel niet vergeven dat hij hen in de steek liet en onderdrukte, terwijl het toch de plicht van een Vorst moet zijn, "zijn onderdanen te behoeden voor ongeluk, overlast en geweld". Hij die zijn onderdanen verdrukt en als slaven behandelt, hun eeuwenoude rechten en vrijheden ontneemt en hun bezittingen in vreemde handen doet overgaan, noemden zij een tiran. De Koning heeft door zijn wanbeleid voldoende wettige redenen gegeven om hem te verlaten en het recht te ontzeggen nog als legitieme heerser op te treden. Om gelijkaardige redenen hebben onze voorouders Keizer Jozef II als wettige vorst afgezet. Op 22 november 1789 riepen de Staten van Vlaanderen in het Stadhuis van Gent de onafhankelijkheid van Vlaanderen uit. Zij onderbouwden die met een Manifest dat op 4 januari 1790 door de griffier van de Staten van Vlaanderen op de Vrijdagmarkt werd voorgelezen. Op 11 januari 1790 sloten de overige Zuidelijke Nederlanden zich bij deze afscheiding aan in het Tractaet van Vereeniging of van de Vereenigde Nederlandsche Staeten. Deze afscheidingsbeslissingen was geen lang leven beschoren want onze gewesten werden door het revolutionaire Frankrijk geannexeerd, tot ze in 1814 na het Congres van Wenen met de Noordelijke Nederlanden werden herenigd. In 1830 bewerkten door Frankrijk gesteunde opstandelingen een nieuwe secessie waaruit het Koninkrijk België ontstond, dat zij in handen legden van Leopold van Saksen-Coburg. Na 177 jaar heeft dit Koninkrijk uitgediend. Vandaag delen de Vlamingen, leden en sympathisanten van Pro Flandria tegenover de staat België, die wordt verpersoonlijkt door Albert II van Saksen-Coburg, gelijkaardige gevoelens als hun voorouders in 1581 en 1789. Ter besluit kan ik zeggen dat om het even in welke situatie en omstandigheden het Plakkaat nog gebruikt word, in welke tijd of welke plaats ook, het geeft altijd een roep naar vrijheid, zelfstandigheid en ontvoogding. Of om het met het Wilhelmus te zeggen; de tirannie verdrijven die mij mijn hart doorwondt. Dennis B. Commilito NSV!-Westland [Ontgroeningswerk] Bronnen & Literatuur De integrale tekst van het Plakkaat van Verlating / Verlatinghe, Juli 1581, 2006 (http://www.engelfriet.net/Alie/Aad/plakkaat.htm). Woordenboek der Nederlandsche taal (http://gtb.inl.nl/). DE DONDER, V., In de naam van Vlaanderen, een historie (8ste-21ste eeuw), Leuven, 2007. GILLIS, G., Pro Flandria herschreef Plakkaat van Verlatinghe, 2008 (http://www.nsv.be/index.php?option=com_content&task=view&id=62&Itemid=9). MOUT, N., Plakkaat van Verlatinge 1581, Den Haag, 1979. PRESSER, J., De tachtigjarige oorlog. Van 1568 tot het Twaalfjarig Bestand, Amsterdam, 1963. ROEGIERS, J. en THOMAS, W., Geschiedenis van de Nieuwe Tijd, Cursus, Katholieke Universiteit Leuven, departement geschiedenis, 2008. VANDEVELDE, F., Syllabus Nederlandse historische teksten, Cursus, Katholieke Universiteit Leuven, departement geschiedenis, 2008.
Geplaatst door Metamilitant
in Geschiedenis Internationaal, Geschiedenis Vlaanderen, Monarchie, Nederlanden, Ontgroeningswerken
op
22:39
| Reacties (0)
| Trackbacks (0)
Trackbacks
Trackback URI voor deze bijdrage
Geen Trackbacks
theme Joshua Tree by David Cummins |
ZoekenCategorie
Gelieve naar de voorpagina te gaan voor de speler.
Gelieve naar de voorpagina te gaan voor de speler.
|




















